Radionavigatie

Al ruim zes decennia wordt er wereldwijd gebruik gemaakt van deze betrouwbare vorm van navigatie. De techniek is indrukwekkend, in eenvoud geldt hier echter dat als basis de 'reistijd' gemeten wordt van een elektromag¬≠netisch signaal dat zich verplaatst van zender naar ontvanger en dit met de snelheid van het licht (¬≠299.792.458 meter per seconde volgens het WGS-84 (World Geodetic System 1984)).

De exacte tijdmeting is bij deze navigatiemethode van essentieel belang. De vele 'aardse' uitvoeringen van radionavigatiesytemen hebben hun nut overduidelijk bewezen. Evenwel, door de ontstane mogelijkheden om de navigatiezenders in de ruimte te brengen kunnen een aantal specifieke 'grond'problemen, bijna letterlijk, de wereld uit geholpen worden.

De 'nauwkeurig­heids'problemen van de eerste systemen hadden voornamelijk te maken met de zeer lage frequenties (Very Low Frequency (VLF)) die gebruikt moesten worden om een wereldwijd gebruik mogelijk te maken. Het aardgebonden (Amerikaans militaire) Omega-systeem bijvoorbeeld, bereikte dit met acht zenders (met golflengtes van zo'n 25 kilometer). Gebruik maken van hoge(re) frequenties (High Frequency (HF) - Ultra High Frequency (UHF)) betekende dat de signalen, vanwege de ronding van de aarde, alleen maar een zichtbereik (line-of-sight) halen en uiteindelijk via de ionosfeer de ruimte in verdwenen.

Ook als we vanaf een hoogte van ongeveer 100 meter zenden is het 'line-of-sight' bereik nog maar zo'n 60 kilometer (vergelijkbaar met de FM-zenders). Duizenden zenders zouden benodigd zijn (te land en ter zee) om daarmee wereldwijd de nauwkeurigheid van een aardgebonden systeem zoals Omega te vergroten (vier tot acht kilometer).

Maar gelukkig, er is een oplossing gevonden voor dit dilemma. Plaats navigatiezenders in de ruimte. Vanaf een grote hoogte penetreren draaggolven, afkomstig van satellieten, de aardse ionosfeer om gebruikers wereldwijde en zeer precieze navigatiemogelijkheden te bieden.